Nieuws

Home  /  Actueel  /  Nieuws  / 

Meer dan 250 kippen en toch kleinschalig: wat betekent dit in de praktijk? 

April 2026

Nederland heeft nu een binair systeem: of je bent hobbyhouder of je bent grootschalig pluimveehouder. Een kleinschalig, extensieve bedrijfsmatige sector bestaat niet. En dat wordt tijd.

De kleinschalige pluimveesector willen we graag professionaliseren en uit de hobbyschaal halen. Daarom schreven we een artikel, een opzet voor het ministerie van LVVN.

We openen een discussie over ophokplicht/afschermplicht (dierenwelzijn), pakstations & eierestempels (volksgezondheid), dierziekte monitoring (dier- en volksgezondheid) en milieu- & bouwvergunningen (stikstofemissie) omdat al deze zaken niet los staan van elkaar.

Wij vragen jullie feedback op deze tekst. Als er geen tijd is om de hele tekst te lezen, lees dan alleen het stuk “Wat er moet gebeuren in Nederland” (onderaan in het artikel). Nadat jullie feedback is meegenomen (voor zover dat kan), wordt er richting LVVN een beroep gedaan om de kleinschalige sector serieus te gaan nemen.

Geef hier feedback

Het is niet voor niets dat de meeste kleinschalig gehouden koppeltjes kippen uit minder dan 250 dieren bestaan. Dan is er namelijk geen registratieplicht. Het is alweer een tijdje geleden dat we een artikel plaatste over registratie van kleinschalig gehouden kippen. Daarin wordt omschreven wat de achtergrond is en waarom de registratieplicht er nu wel aan zit te komen. 

Als je toch je kippen moet registreren, waarom zou je dan niet meer dan 250 gaan houden? In dit artikel:

    • wordt uiteengezet waar je aan moet voldoen als je besluit om meer dan 250 kippen te gaan houden;

    • kijken we naar hoe het anders kan, bijvoorbeeld in België;

    • zetten we uiteen wat er in Nederland moet gebeuren.

KIP-nummer

Als eerste zal het koppel kippen bij AviNed moeten worden aangemeld. Indien er al een KIP-nummer is op basis van een kleinschalige houderij (<250 en <2000 kippen per jaar) dan wordt deze vervangen door een nieuw nummer dat geschikt is voor bedrijfsmatig gehouden pluimvee.

Het Koppel Informatiesysteem Pluimvee (KIP) vormt in Nederland de officiële bedrijfsdatabank voor de pluimveesector. De geregistreerde gegevens worden gebruikt voor:

  • Veterinaire en kwaliteitsdoeleinden, bijvoorbeeld monitoringprogramma’s in het kader van diergezondheid
  • Bepalen van beperkingsgebieden bij dierziekte uitbraken
  • Antibioticaregistratie
  • Controle op hygiëneverordeningen en IKB-programma’s
  • Tracking en tracing van consumptie-eieren

Stempelen van eieren

Eieren die kleinschalig vanaf de boerderij zelf worden verkocht, huis-aan-huis of op een lokale markt, hoeven niet voorzien te zijn van een stempel. Eieren die via een winkel worden verkocht moeten wel een stempel hebben waarop de ei-code staat. Deze code geeft aan uit welk type houderijsysteem het ei afkomstig is (0 = biologisch, 1 = vrije uitloop, 2 = scharrel, 3 = kooi), het land van herkomst en het bedrijfsnummer. 

Het gestempelde ei geeft dus informatie over in welk type houderijsysteem de legkippen leven. Dat wordt gecontroleerd door het COKZ. Zij houden toezicht op de naleving van de Wet Dieren en komen op het bedrijf langs voor een officiële stalmeting waarmee wordt getoetst of de huisvesting wel voldoet aan het type houderijsysteem. Echter, indien het een biologisch gehouden koppel betreft neemt SKAL de functie grotendeels over en komt COKZ niet langs voor een stalmeting. Als er meer dan 350 legkippen worden gehouden is de pluimveehouder sowieso verplicht om te voldoen aan de huisvestingseisen die zijn opgesteld in het Besluit Houders van Dieren (Artikel 2.67 Besluit houders van dieren), onafhankelijk van of een ei wel of niet gestempeld wordt. 

Pakstation

De verkoop van eieren aan een winkel, horeca of supermarkt moet via een officieel pakstation. Hier worden eieren gesorteerd op gewicht en op eerste of tweede soort, en de eieren worden verpakt. Een pluimveehouder kan zelf ook een pakstation zijn. Ook het pakstation wordt door het COKZ gecontroleerd. Zij komen onaangekondigd langs voor een controle, de frequentie bepalen ze zelf en hangt af van de grootte van het pakstation. Verder moet het pakstation minimaal twee keer per jaar swabs nemen voor een salmonella controle. Dat mag het pakstation zelf uitvoeren, maar moet wel bekwaam gebeuren met een interval dat risico gestuurd is, ofwel, bij een verhoogd risico moeten er vaker swabs worden genomen. Dezelfde swabs worden meestal ook ingezet voor een kiemgetal bepaling, die geeft informatie over de hygiëne. Het onderzoek moet worden uitgevoerd door een erkend laboratorium. 

De 10-km beperkingsgebieden die volgen na een vogelgriepuitbraak hebben grote gevolgen voor het transporteren van eieren. Tijdens de 30 dagen mogen tafeleieren alleen via door de NVWA erkende pakstations worden vervoerd en verpakt. De regels waaraan moet worden voldaan om als een erkend pakstation te worden aangewezen, zijn niet proportioneel voor een kleinschalig pakstation. De consequentie is dat er voor kleinschalige pluimveehouders geen officiële route is, waarover de eieren tijdens een beperkingsmaatregel het bedrijf kunnen verlaten. 

Hygiënogram 

Bedrijfsmatig gehouden pluimvee moet voldoen aan het Hygiëneprotocol:

  • Bedrijfshygiëneplan opstellen
  • Bezoekersregistratie bijhouden
  • Schoon- en vuilzones hanteren
  • Bedrijfskleding en laarzen gebruiken

Het pakstation moet de hygiëne kunnen waarborgen en vraagt in de meeste gevallen aan de pluimveehouder om een Hygiënogram te laten maken tijdens leegstand. Dit houdt in dat een erkende instantie (vaak de veearts) vlak voordat de nieuwe kippen komen, afdrukplaatjes komt nemen in de huisvesting. Dit zijn ronde plaatjes die tegen de vloer, voerbak, et cetera worden aangedrukt en daarna in het laboratorium wordt onderzocht op kiemgetal. De resultaten komen eigenlijk altijd binnen als de kippen inmiddels zijn gearriveerd en er weinig aan extra ontsmetting kan gebeuren. 

De rol van dierenarts

Als een pluimveehouder meer dan 250 kippen houdt, dan moet deze afspraken maken met een dierenarts, een zogenaamde 1-op-1 overeenkomst. Nadat er een UBN met KIP-nummer is gecombineerd wordt dit bij de Gezondheidsdienst voor Dieren (GD) gemeld. Deze zullen dan contact opnemen met de veehouder en noteren welke dierenarts het bedrijf begeleid. 

Deze dierenarts is de enige die de verplichte monstername mag uitvoeren en medicijnen mag voorschrijven. De dierenarts en veehouder moeten samen drie documenten opstellen:

  • 1-op-1 overeenkomst: dit is éénmalig
  • Bedrijfs Behandel Plan (BBP): jaarlijks 
  • Bedrijfs Gezondheids Plan (BGP): jaarlijks

Kunnen we hier nog een prijs aan hangen? Hoe vaak komt de dierenarts minimaal langs en wat zijn zo ongeveer de kosten daarvan? 

Dierziekten monitor

In Nederland is er een monitorschema voor pluimvee waarin staat via welke methode, hoe vaak en voor welke dierziekte moet worden gecontroleerd. Dit schema is te vinden op www.Avined.nl. Bij legkippen worden vier ziektekiemen verplicht gemonitord:  

1. Salmonella: 

  • De pluimveehouder loopt iedere 15 weken met overschoentjes en laat deze onderzoeken. 
  • Voor de slacht loopt de dierenarts met overschoentjes en laat deze onderzoeken. 

Een positieve uitslag heeft grote gevolgen: eieren mogen niet meer als tafel ei worden verkocht. 

2. Vogelgriep 

  • Bij kippen die buitenuitloop hebben, moet ieder kwartaal bij 30 dieren bloed worden afgenomen door een dierenarts en onderzocht op antistoffen tegen H5 en H7.
  • Voor transport naar de slacht moet dit ook gebeuren. 

Als er antistoffen worden gevonden heeft dit niet meteen tot gevolg dat de kippen worden geruimd. Het wordt gebruikt om een vinger aan de pols te houden hoe laag pathogeen vogelgriep zich in het land verspreid. 

3. New Castle disease

  • Voor transport naar de slacht of als de dieren tussen de 90 en 95 weken oud zijn, moet er bij 30 dieren bloed worden getapt en onderzocht op antilichamen tegen NCD.

Als er geen of heel weinig antistoffen worden gevonden betekent dit dat het koppel niet is beschermd tegen NCD. Wettelijk is NCD de enige ziekte met een vaccinatieverplichting. Daarom wordt er grootschalig gevaccineerd en komt dit zelden voor. Officieel zou er een vervoersverbod mogen worden gesteld en hervaccinatie worden verplicht bij een koppel met onvoldoende bescherming

4. Mycoplasma gallisepticum (Mg)

  • Voor de slacht moet er bij 10 dieren bloed worden onderzocht op antistoffen tegen Mg.

Als er antistoffen worden gevonden heeft dit geen gevolgen voor de pluimveehouder. Het wordt gebruikt om een vinger aan de pols te houden omdat Mg een grote schadepost kan zijn voor de grootschalige intensieve pluimveehouderij. Zoals het ruimen van besmette moederdierkoppels. 

Ophokplicht

Afschermplicht versus ophokplicht: in de praktijk blijkt vooral de controleur vanuit de NVWA doorslaggevend te zijn hoe er wordt gekeken en wat als voldoende afscherming wordt beoordeeld. Hoe groter het aantal kippen, hoe lastiger het is om een afscherming te maken die wordt goedgekeurd door de NVWA. Daarom kan een kleinschalige pluimveehouder, of er nu 200 of 750 kippen worden gehouden, beter voorbereid zijn op een ophokplicht. Dat houdt in dat er geen contact is tussen de kippen en wilde vogels en/of hun uitwerpselen. Een vaste overdekte uitloop is onmisbaar om het welzijn te borgen tijdens de ophokplicht. 

Pluimveerechten

Je hebt in principe altijd pluimveerechten nodig, behalve als je onder de vrijstelling valt (o.a. ≤ 250 dieren en niet bedrijfsmatig). Deze regel komt voort uit de meststoffenwet en staat los van de registratieplicht. Pluimveerechten kunnen worden gekocht, geleased of overgenomen.  

Milieuvergunning

Over de milieuvergunning is het heel lastig iets algemeens te schrijven, wat bij veel houders van toepassing is. Sommige (pluim)veehouders hebben nog ruimte binnen hun milieuvergunning om meer kippen te gaan houden, bij anderen is die ruimte er niet. Het is heel lastig om een milieuvergunning te krijgen als startende ondernemer die met kippen wil beginnen. 

Bouwvergunning

Een caravan is geen gebouw. Een kippenkar ook niet, maar sommige gemeentes denken hier anders over. Zo kan het plaatsen van een kippenkar in de wei uitlopen op een discussie met de gemeente die het als een stalgebouw benaderen, met alle vergunningen van dien. Andere gemeentes zijn milder en soms zelfs uitgesproken positief als er een kleinschalig extensieve kippenkar wordt geplaatst. 

Kosten

Registratie Avined:

  • I&R 
  • Diergezondheidsfonds is afhankelijk van het aantal kippen en het type houderij. De tabel is te vinden op de RVO website onder “Tarieven diergezondheidsheffing pluimvee 2026”. Voor een biologische legkip is het €0,56 per dier. Een vrije uitloop kip is met €0,29 beduidend goedkoper.
  • Onderzoek en innovatie en een bijdrage aan de Sda (Stichting Diergeneesmiddel Autoriteiten) zijn wat lager, geschat op €25 per jaar.

Stalmeting eenmalig uitgevoerd door COKZ of SKAL

  • Afhankelijk van de tijd die het in beslag neemt. Starttarief is 1 uur á €115- €122. 

Pakstation

  • COKZ is afhankelijk van het aantal bezoeken voor een klein pakstation tussen de €500 à €800.
  • Swabs €400 per jaar (variatie tussen laboratoria).

Dierenarts

De dierenartskosten zijn voor kleinschalige pluimveehouders relatief fors. Want er is op dit moment geen onderscheid tussen iemand met 250 kippen en een bedrijf met 60.000 kippen (zie onder).

  • 4 x per jaar een bezoek, variatie tussen dierenartsen en hun voorrijtarief plus een uurtarief van €130 per uur, schatting €150-250 per keer.
  • 4 x per jaar Onderzoekskosten GD: AI = gratis (overheid), NCD= 30*€2,90=€87. Hier komen nog basiskosten bij €4,70 (digitale inschrijving) – €12,80 (niet digitaal), Mg = 10 x €1,90 = €19.
  • 1 x per ronde het Hygienogram: afhankelijk van monsternemer ca €75. Labkosten ca € 100.

Opgeteld kom dat neer op (4 x €270- €320 + 1x €175) = €1250 – € 1450 per jaar.

Pluimveerechten

  • De kosten van een pluimveerecht is regio-afhankelijk en wordt gedreven door vraag en aanbod. Op dit moment (begin 2026) varieert de prijs tussen €32 en €53 euro per stuk. Leaseprijzen gaan per jaar en variëren tussen €0,75 – €2,85 per recht. 

Al met al zijn de consequenties om in Nederland meer dan 250 kippen te houden fors. Kan dat niet eenvoudiger? Zeker, daarvoor kunnen we een kijkje nemen bij onze Zuiderburen. In Vlaanderen is de hobbygrens met 199 kippen lager, maar het houden tot 1.000 kippen is daar een stuk eenvoudiger. 

Het registreren van een koppel kippen is verplicht bij meer dan 199 dieren bij DGZ. Dit levert een Beslagnummer op, equivalent aan ons KIP-nummer. De registratie heeft een onderscheid tussen een bedrijf met geringe capaciteit (199- 4999 dieren) en een Professioneel bedrijf (vanaf 5000 dieren). Er is een jaarlijkse bijdrage aan het DGZ, de FNVV Federaal agentschap voor de veiligheid van de voedselketen en aan het Sanitair fonds (FOD Volksgezondheid). De kosten hangt af van de bedrijfsomvang (https://www.dgz.be/pluimvee/i-r/starten) samen geschat tussen 125-250 euro.

Een Pakstation kan worden geregistreerd bij FAVV (Federaal agentschap voor de veiligheid van de voedselketen). Als eieren aan huis of op een markt, binnen een straal van 80 km van het bedrijf, worden verkocht is geen pakstation nodig. Als ze willen leveren aan een winkel dan is er wel pakstation nodig. Dit is vergelijkbaar met de Nederlandse situatie. Het verschil zit in de kosten: deze zijn met ca €150 – €250 per jaar een stuk lager dan in Nederland. (pers. comm)

Dierenarts: Tussen 199 en 999 kippen moet er een verklaring zijn tussen veehouder en veearts waarin staat dat er een dierenarts is die in geval van ziekte of andere veterinaire nood langs komt. De dierenarts hoeft dus niet op afspraak langs te komen (FAVV/K.B. 20/01/2012).

Dierziekte monitoring: België heeft geen uniform verplicht monitoringsprogramma zoals Nederland, maar werkt met ziekte-specifieke verplichtingen en een risicogestuurd monitorprogramma. In de praktijk wordt bij export en verhoogde dierziektedreiging wel gemonitord maar dat is niet zo strak en uniform georganiseerd als in Nederland. Salmonella monstername gebeurt wel verplicht en routinematig, net als in Nederland iedere 15 weken (volgens het KB van 21/09/2020 en FAVV-instructies).

Pluimveerechten: België kent geen pluimveerechten zoals Nederland, maar werkt met het systeem van nutriëntenemissierechten (NER), waarbij de omvang van pluimveebedrijven indirect wordt beperkt via mestproductie en stikstofemissies. Tot 300 kg fosfaat per jaar is geen NER nodig. Een legkip telt voor 0,45 kg fosfaat dus kan men 666 leghennen houden zonder NER-rechten. Als er andere dieren aanwezig zijn die reeds bijdragen aan de 300 kg fosfaat dan kan het wel nodig zijn om NER-rechten te hebben voor het houden van pluimvee. NER was vroeger niet gekoppeld aan een specifiek diersoort. Relatief recent is de NER aan diercategorieën toebedeeld. De consequentie is dat bijvoorbeeld een melkveehouder een bestaande NER deels aan kippen toe kan delen: koe eruit, kippen erin. Mocht de veehouder de NER willen verkopen, dan blijven deze wel bij de diercategorie waar ze oorspronkelijk voor zijn dus in dit geval melkvee (https://www.vlm.be/nl/themas/Waterkwaliteit/Mestbank/mest/NER).

Milieuvergunning: In Vlaanderen is een omgevingsvergunning voor pluimveehouderij verplicht vanaf 300 kippen en afhankelijk van de locatie (www.vlaanderen.be). Maar: Mobiele kippenstallen zijn tot 999 kippen in België vrijgesteld van een omgevingsvergunning zolang ze tijdelijk en verplaatsbaar blijven. Ze moeten voldoen aan de volgende voorwaarde: per kadastraal perceel wordt een maximale duur van vier periodes van 30 aaneengesloten dagen per kalenderjaar niet overschreden (https://www.pluimveeloket.be/bio-pluimveehouderij/Kleinschalige-houderij/Vraag_mobiele_stal?utm_source=chatgpt.com).

Afschermplicht: Het overspannen van een uitloop met een net is voldoende in combinatie met vogel werende linten in de buurt van de huisvesting. De gedachten is dat trekvogels alleen maar mesten na opstijgen, niet tijdens de vlucht. De linten zijn ter afschrikking van de vogels. Afschermplicht zoals beschreven in België wordt in meer landen om ons heen toegepast zoals Denemarken, Duitsland en Tsjechië. Dit mag ook bedrijfsmatig, alleen is dit voor grote pluimveebedrijven vaak niet praktisch haalbaar. Er is een wezenlijk verschil tussen ophok- en afschermplicht met grote gevolgen voor het dierenwelzijn. Kippen die buitengehouden zijn moeten eigenlijk de mogelijkheid hebben een stukje buiten te kunnen lopen. Ontnemen we de kippen deze vrijheid, dan kan dit grote gevolgen hebben qua dierenwelzijn.

Om de kleinschalige pluimveesector te professionaliseren en levensvatbaar te maken zal LVVN deze houderij apart moeten voorzien van wet- en regelgeving. Vlaanderen en ook Duitsland hebben door aangepaste regels een aantrekkelijkere omgeving gecreëerd om kleinschalig extensief bedrijfsmatig pluimvee te houden dan Nederland. Onderstaande aanbevelingen zijn GEEN menukaart waaruit individuele aanbevelingen op zichzelf staan. Het is een pakket waarin volksgezondheid, diergezondheid voor de kleine en grootschalige pluimveesector, dierenwelzijn, milieu én een economisch haalbare productie van eieren samenkomen. Het gevaar dat bijvoorbeeld alleen extra dierziektemonitoring gaat worden geïmplementeerd zonder dat de overige aanpassingen worden ingevoerd is aanwezig en zou getuigen van een kortzichtig beleid. 

De volgende aanpassingen worden vanuit Caring Farmers nagestreefd:

Registratie: stel een registratieplicht voor alle bedrijfsmatig gehouden kippen. Deze wetgeving is reeds de internetconsultatie gepasseerd en zal naar verwachting niet lang op zich laten wachten.

Dierenartsbegeleiding tot 1.000 kippen: Verplicht een 1-op-1 overeenkomst tussen pluimveehouder en dierenarts waaraan de medicijnregistratie en 1-malige monstername per koppel voor de slacht is gekoppeld.

Dierziektemonitoring: Monstername wordt aangepast aan het aantal dieren en in plaats van 30 bloedmonsters volstaat naar verwachting 15 (statistisch te onderbouwen door de Royal GD). De onderzoeken zijn gelijk aan die van de grootschalige houderij: H5/H7, NCD, Mg. Wat betreft Salmonella monstername is die zoals reeds opgesteld: iedere 15 weken door de pluimveehouder en eenmalig door een dierenarts voor de slacht.

Transportbeperkingen van eieren ten tijde van vogelgriep: voor grootschalige bedrijven is het goed geregeld en kunnen eieren worden vervoerd en verpakt door aangewezen pakstations. De kleinschalige sector zou eveneens in aanmerking moeten kunnen komen voor aangewezen pakstations. Met proportionele voorwaarden die gebaseerd zijn op een risicobeoordeling gericht op korte ketens en kleinschalige aantallen.

Pluimveerechten: het aanschaffen/leasen van een klein aantal pluimveerechten is nagenoeg onmogelijk. De aantallen zijn gericht op de grootschalige pluimveesector. Ook hier zou naar het voorbeeld in België een vrijstelling kunnen worden opgenomen voor kleinschalig gehouden pluimvee. Om aan te sluiten bij andere voorgestelde wet- en regelgeving volgt logischerwijs het aantal van 1.000 kippen.

Milieuvergunning: Naar voorbeeld van Vlaanderen zouden mobiele huisvestingen tot 1.000 kippen vrij kunnen worden gesteld van een milieuvergunning. Eisen aan minimale verplaatsing en maximale duur per standplek zouden kunnen worden ingesteld om te kunnen handhaven dat de mobiele huisvesting werkelijk mobiel wordt ingezet en hiermee de mest van kippen over een groot stuk land te verspreiden.  De onvoorspelbaarheid en willekeur – het momentele verschil per gemeente – is daarmee opgelost.

Omgevingsvergunning/bouwvergunning: Een mobiele kar is iets anders dan een stalgebouw en om de discussie op 1 lijn te zetten tussen alle gemeentes en ambtenaren is hier een duidelijk beleid nodig. Zoals door de Vlaamse Pluimveeloket helder wordt verwoord: “Voor de beoordeling van de goede ruimtelijke ordening en eventueel het risico op hinder voor de omgeving is er een (exacte) locatie nodig van de stal zodat afstanden e.d. correct kunnen worden ingeschat. Dit is niet mogelijk met een mobiele inrichting. In principe betekent dit dus dat het plaatsen van mobiele kippenstallen mogelijk is zolang ze vrijgesteld zijn van een omgevingsvergunningsplicht.”  

Pakstation: Het COKZ zou een aparte categorie met proportionele controle kunnen opzetten voor kleinschalige pakstations tot 20.000 eieren per week. De afzet van eieren van een kleinschalige pluimveehouder is in de basis regionaal en gebaseerd op korte ketens met grote mate van transparantie. Onderzoek geeft aan dat deze eigenschappen het systeem minder kwetsbaar maken voor fraude (Jongeling, 2018) en dat de relatie tussen producent en consument wordt versterkt, wat indirect het vertrouwen in herkomst en kwaliteit kan vergroten (Van Der Meulen & Van Der Meulen, 2024).  

Hygiënogram: Bij minder dan 1.000 kippen alleen van toepassing als er zoönotische Salmonella, een dierziekte of antistoffen aanwezig waren tegen Mg tijdens het monitoronderzoek voor de slacht.

Slacht: Dit artikel richt zich niet op de logistieke uitdagingen van het slachten van kleinschalige koppels. Er is een rapport geschreven in opdracht van LVVN (februari 2026) getiteld “Een verkenning naar mobiel slachten voor de kleinschalige pluimveehouderij” door Marjon Wijdeven en Vera Bavinck in samenwerking met Caring Farmers. In de conclusie wordt gepleit voor een aangepast beleid voor de kleinschalig gehouden koppels. Hierin worden verschillende mogelijkheden geschetst die de praktische en economische haalbaarheid van het slachten van kleinschalige gehouden koppels zouden mogelijk maken. Ook voor kleinschalige slacht zou een grens van 1.000 kippen een logische stap zijn waarbij een proportioneel beleid op zou moeten worden gericht.